Geïsoleerde dakpanplaten monteren?

U doet het samen met Janjp.nl

Het monteren van geïsoleerde dakpanplaten kan een uitdagende klus zijn en lijken wanneer u niet goed weet waar u moet beginnen. De belangrijkste elementen van deze klus zijn, net als bij alle andere klussen, het hoofd koel houden, een overzicht creëren en houden, en secuur te werk gaan. Op deze pagina gaan we u helpen met het monteren van de geïsoleerde dakpanplaat. We gebruiken hiervoor de montagehandleiding die we hebben geschreven voor reguliere dakpanplaten, maar geven u aan het einde enkele extra tips voor de geïsoleerde varianten. Direct geïsoleerde dakplaten bestellen? Bekijk ons assortiment aan geïsoleerde dakpanplaten.

Heeft u na het lezen nog vragen? Neem dan gerust contact op. Wij helpen u uiteraard graag verder. Uw geïsoleerde dakplaten monteren doet u samen met Janjp.nl!

Geïsoleerde dakpanplaten montagehandleiding - Janjp.nl
Montagehandleiding dakpanplaten
Download montagehandleiding

Tips vooraf:

  • De dakpanplaten worden in standaardmaten geleverd. Ook kunt u kiezen voor onze zaagservice, waarbij wij uw platen op maat kunnen leveren. Wanneer u zelf de platen op maat wilt maken, moet u gebruik maken van een knabbelschaar of een metaalzaag met fijne tanden zodat de coating niet beschadigd raakt.

  • Wij raden u af om slijpschijven of ander gereedschap met hoge slijpsnelheid te gebruiken. De slijpranden hiervan gaan gloeien en vernietigen de verzinking en de coating van de dakpanplaat. Daarnaast vliegen gloeiende metaaldeeltjes in het rond, welke de beschermlagen van de platen in kunnen branden.

  • Elke beschadiging aan de oppervlaktelaag dient zo snel mogelijk met reparatieverf gelakt te worden.

Stap 1. Maten bepalen

De eerste stap is het bepalen van de maten van de dakpanplaten. Wij geven u altijd de tip om het dak uit te tekenen op grafisch papier, waarmee u het uzelf veel makkelijker maakt om te berekenen hoeveel vierkante meters aan dakpanplaten u uiteindelijk nodig zult hebben. Houd hierbij rekening met de volgende aandachtspunten:

  • De minimale hellingshoek van uw dak moet 8° zijn. Hiermee voorkomt u dat water onder de platen op kan stuwen. Zorg daarnaast voor voldoende overlap van de dakpanplaten (vooral bij een lage hellingshoek), zodat ook hiermee opstuwing van water voorkomen wordt.
  • Zorg ervoor dat u ongeveer 40-60 mm ruimte overlaat waar de platen bij elkaar komen (in de nok), zodat er een goede ventilatie kan ontstaan. Hiermee voorkomt u ongewenste vochtvorming.
  • Laat de dakpanplaten ongeveer 20-40 mm uitsteken buiten de dakrand. Hierdoor kan het water gemakkelijk in de goot terecht komen en is ook de dakrand beschermd tegen water en vochtvorming.
  • De platen kunnen op maat worden geleverd.

Maten vooraf
Afbeelding 1: ‘Montage nok’

Lengte bepalen

Meet de afstand tussen de bovenste en de onderste dakrand. Voeg hier de nodige afstand aan toe, zodat de dakpanplaten buiten de onderste dakrand uitkomen in de goot. Zorg hierbij voor een gootoverhang van ongeveer 20-40 mm. De totale lengte die u nodig heeft wordt dan dus bepaald door de lengte van uw dak, plus de gootoverhang.

Is de te bedekken lengte langer dan de maximale dakpanplaatlengte? Maak dan gebruik van twee plaatstroken in de lengte en houd hierbij rekening met een overlap van 200 mm. Ga hierbij ook uit van een veelvoud van 350 mm (de lengte van één dakpan).

Lengte bepalen
Afbeelding 2: ‘Overlap dakpanplaten’

Voorbeeld:
Stel dat de totale lengte van uw dak 10 meter (10000 mm) is. Voor een maximale stevigheid raden wij u aan om te streven naar twee bijna gelijke lengtes. Om de lengte van de onderste plaat te berekenen kiest u dan een veelvoud van 350 mm uit tot deze over de helft van de totale lengte uitkomt. In dit geval kunt u dan een lengte kiezen van 15 pannen x 350 mm + 200 mm overlapping = 5450 mm (5,45 m). De lengte van de hogerop liggende plaat kan dan gemakkelijk bepaald worden door de plaatlengte van de onderste plaat van de totale lengte af te trekken en de overlapping er bij te voegen: 10000 mm – 5450 mm + 200 mm = 4750 mm (4,75 m).

Breedte bepalen

De werkbreedte van onze dakpanprofielplaten is 1100 mm (plaatbreedte: 1200 mm; overlap: 100 mm). Het aantal benodigde platen kan gemakkelijk bepaald worden door de te bedekken breedte te delen door de werkbreedte van de platen. Bij een dakvlak met een breedte van 15 m heeft u dus 14 platen nodig (15000 mm / 1100 mm).
Breedte bepalen

Afbeelding 3: ‘Breedte bepalen’

Helling bepalen

Om te bepalen of de helling van uw dak voldoet aan de minimale waarde van 8 graden, kunt u deze als volgt opmeten:

  1. Meet de lengte van uw waterpas op. Plaats vervolgens de waterpas op plaats ‘A’ in een rechte lijn.
  2. Meet vervolgens de afstand vanaf uw waterpas naar het dakbeschot ‘B’.
  3. Om de helling  te bepalen neemt u de waardes van A en B en rekent u ze vervolgens uit:
    hellingshoek = overstaande zijde (A) / aanliggende zijde (B)
  4. Vervolgens berekend u de hoek met behulp van tangens: tan∠AB = A / B

Hoek berekenen
Afbeelding 4: ‘Helling bepalen’

Op maat maken

Het op maat maken van de platen moet uitgevoerd worden met een knabbelschaar of een metaalzaag met fijne tanden. Doe dit nooit met een gewone slijpschijf, een decoupeerzaag of een haakse slijper, omdat dit de coating van de plaat beschadigt en de gegalvaniseerde laag van de staalplaat verwijdert. Ook kan de vonkenregen die van deze machines afkomt kleine brandplekken veroorzaken. Deze beschadigingen kunnen leiden tot roestvorming.

Natuurlijk kunt u ook gebruik maken van onze zaagservice. Wij zorgen er dan tegen een geringe meerprijs voor dat u uw dakpanplaten in de perfecte lengte geleverd krijgt. U begint dus direct met de montage!

Voorbeelden van daken

Hieronder volgen enkele voorbeelden die u kunnen helpen bij het bevestigen van uw dakpanplaten. Uw gewenste dak zal er wellicht anders uitzien, maar de tips voor het bevestigen kunnen altijd van pas komen.

Schilddak

Bij een schilddak raden we u aan om van elk dakvlak een plan op schaal of een tekening te maken om de maten nauwkeurig te kunnen bepalen. Houd bij het uitrekenen van de lengtes goed rekening met het feit dat de platen een stuk ‘uit moeten steken’ boven de schuine nokken. In de afbeelding wordt dit duidelijk weergegeven.

schilddak voorbeeld
Afbeelding 1: ‘Schilddak’

Dak met twee verschillende lengtes in één dakvlak

Bij een dak met twee verschillende lengtes in één dakvlak moet eerst de lengte van het breedste dakvlak bepaald worden (vlak A). Nadat u deze lengte heeft vastgesteld, kunt u de benodigde plaatlengte voor vlak B berekenen. Houdt hierbij de lengte van de platen van vlak A aan, en voeg hier een veelvoud van 350 mm (de lengte van één dakpan) aan toe, totdat de platen over de onderste dakrand van vlak B komen. Deze platen kunt u later met speciaal gereedschap inkorten. Door de afmetingen in deze volgorde te berekenen wordt het aantal in te korten dakplaten beperkt tot het smalste dakvlak, waardoor u minder ‘afval’ creëert en dus voordeliger uit bent.

Dak met twee lengtes voorbeeld
Afbeelding 2: ‘Dak met twee lengtes’

Stap 2. Onderdak plaatsen

Bij het plaatsen of renoveren van het onderdak moet er goed gelet worden op de volgorde van plaatsing. Wij raden bijvoorbeeld aan om altijd gebruik te maken van anti-condensfolie maar deze moet wel op de juiste plek geplaatst worden.

Let op! Zorg ervoor dat de anti-condensfolie ongeveer 10 centimeter overlap moet hebben. Houd hier rekening mee tijdens het bestellen van anti-condensfolie.

Kapconstructie
Afbeelding 1: ‘Kapconstructie met anti-condensfolie’

De basis is altijd de kapconstructie. Hier moet de anti-condensfolie op worden geplaatst (zie afbeelding 1). Omdat dit folie in een rol geleverd wordt, kunt u deze gemakkelijk over de constructie trekken. Maak de folie goed vast op elke balk en zorg voor een goede afdichting. Aan de uiteinden moet de folie naar beneden gevouwen worden en vast worden gemaakt aan de dakranden. Een scherp mes is hierbij voldoende om de anti-condensfolie te snijden.

Tengel- en panlatten
Afbeelding 2: ‘Kapconstructie met tengellatten en panlatten’

Bevestig vervolgens tengellatten op de anti-condensfolie van de nok naar de goot om een goede ventilatieruimte te creëren. Hier moeten vervolgens in de breedte panlatten op worden bevestigd. Begin onderaan, bij de goot, en plaats hier een panlat. Plaats de eerstvolgende panlat op 270 mm afstand (hart tot hart) en de rest van de panlatten op 350 mm. De afstand tussen de eerste en de twee panlatten is kleiner, omdat deze beide onder één dakpan vallen, terwijl de rest van de pannen elk door een lat worden ondersteund.

onderdak-dakpanplaten

Afbeelding 3: ‘Onderdak’

Let op! Zorg ervoor dat de allereerste panlat dikker is dan de overige panlatten. Het hoogteverschil van de dakpannen moet immers opgevangen worden. Het verschil is afhankelijk van de soort dakpanplaten, maar ligt vaak tussen de 10 en 20 mm.

Opmerking:
Stalen dakplaten hebben de neiging om kouder te zijn dan hun omgeving. Daarnaast zit er altijd vocht in een ruimte wat er uit wil. Om condensvorming op de platen te voorkomen en om het vocht weg te voeren is het plaatsen van een anti-condensfolie noodzakelijk. Deze folie laat alle damp van binnenuit door, maar is verder volledig waterdicht, waardoor de condens die zich aan de platen vormt en het vocht uit de ruimte afgevoerd worden naar de goot.

Stap 3. Monteren en bevestigen

De montage van de geïsoleerde dakpanelen moet van onder naar boven en van rechts naar links gebeuren. Plaats dus altijd de eerste plaat in de hoek rechtsonder en werk vervolgens eerst de lengte af (de platen erboven) voordat u verder werkt in de breedte.

Controleer voordat u begint met het monteren van de platen of het dak haaks is. Dit kunt u bepalen door de diagonalen van hoek tot hoek te meten. Wanneer deze afmetingen gelijk zijn is het dak haaks. Zijn deze afmetingen verschillend, dan is het dak niet haaks. In dat geval moet de eerste plaat zo worden gelegd dat de onderkant van de plaat de onderste dakrand volgt. Kleine afwijkingen die dan volgen kunnen worden opgevangen door de windveren en de nokpannen.

schroeven plaatsing
Afbeelding 1: ‘Schroeven in de dalen’

Monteer de dakpanplaten nu stuk voor stuk op de panlatten. Nogmaals: houd rekening met de volgorde (van onder naar boven en van rechts naar links). Gebruik voor de bevestiging zelfborende schroeven van 4.8 x 35 mm, verzinkt en gelakt in de kleur van de platen. De schroeven moeten worden geplaatst in de dalen (zie afbeelding 1) van de van de dakpannen, net onder de horizontale lijn van de dakpanpersing. Zorg ervoor dat de platen bij zowel de nokrand als de gootrand in elk dal worden vastgeschroefd. In het ‘middengedeelte’ van de platen kunt u de schroeven in een kruisingsverband bevestigen (zie afbeelding 2). Houd hierbij een gemiddelde aan van 8 schroeven per vierkante meter.

schroeven plaatsing
Afbeelding 2: ‘Plaatsing van de schroeven’

Om de platen aan elkaar te bevestigen gebruikt u dezelfde schroeven. Deze plaats u dan op de golven, wederom net onder de horizontale lijn van de dakpanpersing. Zorg er bij het schroeven altijd voor dat u ze niet te vast, maar ook niet te los aandraait (zie afbeelding 3). Als u ze te vast draait, kunt u de geïsoleerde dakpanelen beschadigen en als u ze te los monteert, behaalt u niet de maximale stevigheid. De ring die aan de schroeven zit moet hierbij goed op de platen aansluiten.

schroeven vast en los

Afbeelding 3: ‘Schroeven niet te vast of te los’

Tip!

Verwijder direct na het boren al het boorvijsel en overige boorresten met een zachte borstel. Zo voorkomt u dat deze deeltjes gaan roesten en de platen beschadigen. Eventueel vuil dat zich na verloop van tijd op de platen verzamelt kunt u gewoon met water afspuiten. Gebruik hierbij geen agressieve schoonmaakmiddelen, omdat deze de coating kunnen beschadigen. Neem contact met ons op voor advies.

Stap 4. Hulpstukken monteren

Wanneer u alle dakpanplaten heeft geplaatst, kunt u beginnen met de montage van alle hulp- en afwerkingsstukken. Hiermee zorgt u voor een optimale werking, de beste bescherming en het mooiste resultaat. Lees hieronder meer over de verschillende hulpstukken in ons assortiment. Gebruik voor het zetwerk dat op de dakpanplaten wordt gemonteerd ook de eerder genoemde zelfborende schroeven.

Windveren

De randen van de zijgevels moeten afgewerkt worden met windveren (ook wel randslabben genoemd). Door deze te bevestigen zorgt u ervoor dat er geen wind en/of regen onder de dakbedekking kan komen. De windveren zijn in dezelfde kleuren verkrijgbaar als uw dakpanplaten. Wanneer de zijgevels van uw dak hoger zijn dan uw dak zelf, is het plaatsen van windveren niet nodig, hoewel dit bijna niet meer voorkomt. Gebruik eventueel een vulstrook om de ruimte tussen de dakpanplaten en de windveren op de vullen.

Nokpannen en -platen

Op de plekken waar verschillende dakvlakken bij elkaar komen, moeten nokken worden geplaatst. Deze zijn verkrijgbaar in twee varianten: gezet en rond. Plaats deze altijd, zodat u een optimale constructie behaalt aangaande isolatie en vocht. Gebruik eventueel een vulstrook om de ruimte tussen de nok en de dakpanplaten op te vullen. Bij de ronde nokken is het mogelijk om een eindkap te bestellen om deze perfect af te werken.

Vulstroken

Vulstroken kunt u gebruiken om de ruimtes tussen de dakpanplaten en het zetwerk op te vullen. Ze worden daarom ook wel profielvullers, opvulprofielen en dichtingsprofielen genoemd. De vulstroken zijn beschikbaar in verschillende profielen:

  • Positief profiel: voor een afdichting tussen de muurplaten en de dakpanplaten;
  • Negatief profiel: voor een afdichting tussen de nokken en de dakpanplaten.

Het is niet altijd nodig om met vulstroken te werken. In sommige gevallen belemmert u namelijk de noodzakelijke ventilatie. Ga dus eerst goed na of u de ruimtes op wilt vullen voor u de stroken monteert.

Kilgoten

Daken die in de breedte een L-vorm hebben, moeten in de rand waar de twee dakvlakken bij elkaar komen worden opgevuld met kilgoten. Deze moeten onder de dakpanplaten worden gemonteerd, zodat al het water dat van de dakpanplaten valt in de kilgoten terecht komt en via deze weg naar de dakgoten wordt geleid. Zorg bij de montage van de kilgoten voor een minimale overlap van 15 cm.

Dakrand en -goot

Voor de afwerking van de dakrand of -goot kunt u gebruik maken van een muurplaatafwerking en dichtingsprofielen. Met het eerste maakt u een afwerkende verbinding tussen de dakpanprofielplaten en de muur waar het dak op rust. Met het tweede zorgt u voor een tochtdichting door de dichtingsprofielen tussen de gootslab en de profielplaten aan te brengen.

Pijpdoorvoer

Pijpdoorvoeren, ook wel dakdoorvoeren genoemd, kunt u gebruiken om ventilatiepijpen op een correcte wijze te monteren. Met een pijpdoorvoer zorgt u namelijk voor een waterdichte verbinding op plaatsen waar een ventilatiepijp, antennebuis of uitlaatpijp door het dakoppervlakte moet komen. Deze doorvoeren zijn gemaakt van EPDM rubber, waarmee een lange levensduur gegarandeerd is.

Plaklood

Plaklood is een ideale vervanger van bouwlood. Dit materiaal is namelijk voorzien van een zelfklevende laag én een beschermende coating, waardoor de bevestiging hiermee gemakkelijk en snel gaat. Plaklood kunt u gebruiken voor een goede afsluiting bij bijvoorbeeld dakkapellen.

Informatie achteraf

We hopen dat u met deze dakpanplaten montagehandleiding zelf uw dakpanplaten kunt monteren. Heeft u hier nog vragen over? Kijk dan ook eens bij de afbeelding hieronder, of neem contact met ons op. Wij staan altijd voor u klaar om al uw vragen te beantwoorden.

Dakpanplaten monteren - Janjp.nl

Vragen?

Heeft u na het lezen van de klustip nog vragen over de montage van geïsoleerde dakpanplaten? Heeft u advies nodig voor uw situatie? Of gaat u toch liever voor onze montageservice? Neem dan gerust contact met ons op. Dan helpen wij u graag verder!

Contact